ACOD TBM wint historische rechtszaak tegen De Lijn

 


Ondernemingsraden en CPBW blijven behouden


In een hevig geschil over de sociale verkiezingen 2020 en meer bepaald over het aantal ondernemingsraden en CPBW’s bij De Lijn, oordeelde de rechtbank dat voor het veranderen van ‘bedrijfsvorm’ naar één technische bedrijfseenheid er echt wel meer nodig is dan het tekenen van vakjes in een organigram alleen. De rechter oordeelde dat De Lijn geen wettelijk motief had om op basis van reeds gezette stappen in haar chaotische reorganisatie, zomaar vijf ondernemingsraden en drie CPBW’s te schrappen.


Het vonnis is heel scherp en duidelijk. Het besluit dat de eis van de ACOD TBM gegrond is, was zeker geen dubbeltje op zijn kant. Met de onbetwistbare bewijslast konden wij aantonen dat De Lijn zelfs niet in de verste verte voldoet aan de voorwaarden om de bestaande overlegorganen te kunnen elimineren.


Vonnis “in het belang van het personeel en van het sociaal overleg”


Eindelijk bevestigt deze rechtszaak dat het management van De Lijn realiteitszin mist. Wij zien zo bevestigd wat we al jaren zeggen. De directie staat veel te ver van het personeel en heeft geen voeling met de werkvloer om haar interne organisatieproblemen op het terrein met het nodige sociaal overleg op te lossen. Meer nog, daar is geen wil voor. Daarom alleen al geraakt de sociale vrede maar niet hersteld.

De zes bestaande technische bedrijfseenheden, de zes ondernemingsraden en de zes CPBW’s bij De Lijn blijven dus bestaan en dat is nodig ook. Er staat de komende jaren namelijk veel te gebeuren bij de VVM door beleidskeuzen waar wij helemaal niet achter staan. Dat maakt iedereen kwetsbaar en onzeker. Daarom is een goede personeelsvertegenwoordiging van ACOD TBM in alle organen bij De Lijn onontbeerlijk.


Slecht verliezer


De dag na het vonnis gaf De Lijn zich echter bloot als zeer slechte verliezer. In een communicatie naar alle personeelsleden werd gesteld dat De Lijn de uitspraak van de rechtbank betreurt en dat de zes entiteiten ondanks het vonnis toch niet meer zullen bestaan. Ook klonk het dat er niet meer kan voortgewerkt worden met zes ondernemingsraden en CPBW’s. Het lijkt erop dat het management gewoon van plan is om te doen of zijn neus bloedt en het vonnis gewoon naast zich neer wil leggen.

De rechtbank benadrukte echter dat De Lijn “onverwijld dient over te gaan tot het verrichten van alle door de wet opgelegde handelingen met het oog op het organiseren van sociale verkiezingen in 2020”. Dit houdt uiteraard ook in de officiële aankondiging en het aankleven van het bericht met de datum van de sociale verkiezingen. Dit moest op 14 februari 2020 gebeuren.


Komen de sociale verkiezingen in het gedrang?


Het management schijnt de uitspraak van de rechtbank evenwel niet ernstig te nemen. Het blijft maatregelen treffen om zijn eigen zin door te drijven. Het is onvoorstelbaar dat een overheidsdienst denkt zich te kunnen permitteren dat hij zich boven de wet kan stellen. De Lijn zegt dat zij gewoonweg niet kan voldoen aan de haar opgelegde verplichtingen binnen de haar gegeven tijd. Deze openbare verklaring van “onbekwaamheid” van de personeelsdirecteur komt boven op het al bestaande stapeltje van zijn andere onbekwaamheden en wij vragen ons echt af hoe lang dit nog geduld zal worden.

Op 12 februari deed de directie er nog een schep bovenop en communiceerde naar alle 8000 personeelsleden dat er in mei 2020 helemaal geen sociale verkiezingen zullen komen. De directie verschuilt zich achter de beroepsprocedure om dit te verantwoorden.

Zij vergeet echter dat elk ander bedrijf in België, dat met een gelijkaardige beroepsprocedure te maken krijgt in juist dezelfde omstandigheden, ook de kalender met wettelijke verplichtingen binnen de strikte timing moet blijven respecteren.

Erger nog, De Lijn schijnt er geen rekening mee houden dat dit alles wetgeving is van openbare orde die strafrechtelijk wordt gesanctioneerd bij niet-naleving.


Ingebrekestelling


Wij stellen vast dat de afkeer voor sociaal overleg bij De Lijn zeer ongezonde proporties begint aan te nemen. Alsof het eigen leven ervan afhangt, gaat het management door met alles dat het kan aanwenden om deugdelijk sociaal overleg te torpederen voor de jaren die komen.

Wij dienden een ingebrekestelling in. Wij eisen respect voor de geldende procedures en timing, terwijl De Lijn juist beweert dat de gehele procedure sociale verkiezingen van begin tot einde moet worden overgedaan. Wij willen de sociale verkiezingen 2020 georganiseerd zien op de vooropgezette datum van 14 mei 2020, want in het vonnis is er geen sprake van een verplichting om een andere datum te prikken ingevolge de gevoerde beroepsprocedure.

Wij hebben De Lijn erop gewezen dat het niet organiseren van sociale verkiezingen of het verhinderen ervan door het sociaal strafwetboek met hoge geldboetes bestraft wordt, die kunnen oplopen tot 8000 euro per werknemer die niet tijdig kan deelnemen aan de sociale verkiezingen binnen de wettelijk vastgelegde kalender (d.w.z. tussen 11 en 24 mei 2020). Wij maakten ons dossier ook gelijktijdig over aan het Toezicht op Sociale Wetten.

Ondertussen maken wij gestaag verder werk van het opmaken van onze verkiezingslijsten, met geëngageerde en gemotiveerde collega’s, want het belangrijkste van al wordt door De Lijn in al de heisa vergeten: onze ACOD TBM-delegees komen eraan op hun ondernemingsraad en in hun CPBW, ongeacht of de personeelsdirecteur daar mee kan leven of niet.


Rita Coeck