Interview met Philip Brinckman: “Ons rapport is een alarmkreet van de basis”

 


Eind oktober is het rapport van de Commissie Beter Onderwijs (‘Commissie Brinckman‘) gepubliceerd. We hebben in de vorige nummers van Tribune het rapport kort voorgesteld en verschillende adviezen van de commissie geanalyseerd en becommentarieerd. Voor het laatste nummer van dit schooljaar spraken we met Philip Brinckman zelf. Hij stak zelf spontaan van wal.


Philip Brinckman: “Vandaag was er een incident met een jongen wiens ouders in een zware vechtscheiding verwikkeld zijn. Ik moet die ouders dan roepen en zeggen: ‘Kijk, uw kind wordt verscheurd en u wil toch dat uw kind goede punten behaalt.’ Denk niet dat het hier over een kansarm gezin gaat, integendeel. Alle invloeden van de maatschappij komen hier op school samen en wij worden verwacht aan de kinderen iets mee te geven, iets dat ze elders niet kunnen krijgen. Ik noem dat stapstenen in het leven, ik wil hen instrumenten aanreiken zodat ze als mens gelukkig kunnen leven, voor zichzelf en voor anderen. Kennis die ze op school meekrijgen, is daarvoor belangrijk. De jeugdbeweging is ook belangrijk. Kennis is de basis. Kunst bijvoorbeeld is ook belangrijk, maar zonder kennis kan je niet van kunst genieten. Als je geen woorden kent, kan je geen mooie tekst lezen. Kinderen kunnen tegenwoordig niet meer lezen. Er zijn natuurlijk nog wel kinderen die lezen, maar ik maak me vooral zorgen om de kwetsbare kinderen die door ons aan hun lot worden overgelaten.”


Dat zijn de basisvaardigheden waarover de commissie spreekt, de vaardigheden die je nodig hebt om nadien gelijk wat te kunnen doen. Wij vinden dat ook, maar willen het niet daartoe beperken. Er zijn kinderen die in hun thuissituatie niet in contact komen met brede vorming. De school moet dat toch ook aanbieden, samen met de rest. Wij begrijpen dat de slinger wat te veel is doorgeslagen richting competenties en vaardigheden en dat de commissie dat wil corrigeren, maar wij missen in jullie visie die brede vorming.

Philip Brinckman: “Dat is natuurlijk een beetje zwart-wit gesteld. Het rapport is voor een stuk een alarmkreet van de basis. Het is zeer slecht gesteld met de basiskennis van de leerlingen. Een bevriend directeur vertelt me dat de leerlingen in 1B vroeger het niveau van het vierde leerjaar hadden en nu dat van het tweede. Dat is onhoudbaar. Kinderen hebben tegenwoordig ook geen langetermijngeheugen meer. Sterke kinderen kunnen dat opvangen door hun intelligentie, kwetsbare kinderen niet. Dat langetermijngeheugen wordt niet meer geoefend, kinderen moeten niets meer uit het hoofd leren, terwijl de basis het werkgeheugen en het langetermijngeheugen zijn. De jongste twintig jaar heeft men ingezet op het werkgeheugen, waardoor sterke kinderen bevoordeeld zijn. Het langetermijngeheugen is nochtans bij iedereen even goed ontwikkeld, terwijl het werkgeheugen bij intelligente kinderen sterker is. Kinderen in de lagere school smeken om eens iets uit het hoofd te mogen leren.”


De oplossingen die de commissie voorstelt, raken volgens ons nooit aan de kern van het onderwijssysteem. Wij menen dat net dat systeem – ‘early tracking’ (de leerlingen vroeg oriënteren), de beschotten tussen ASO, TSO en BSO… – mee verantwoordelijk is voor de ongelijkheid.

Philip Brinckman: “Wij nodigden Mieke Van Houtte van de UGent uit haar visie op early tracking te geven. We legden deze, bijvoorbeeld, tegenover de visie van Wim van den Broeck van de VUB. Wij namen kennis van die twee standpunten, die elkaar bijna volledig tegenspreken, en besloten dat wat Wim van den Broeck zegt beter aansluit bij wat wij ervaren in de klas. Ook als je leerlingen lange tijd samenhoudt, wordt er onderscheid gemaakt. Dan differentiëren we – het toverwoord in het onderwijs – maar dat werkt niet op de klasvloer. Differentiatie is als een elastiek. Je kan er niet blijven aan trekken. Als de spreidstand te groot wordt, kreunt het onderwijs. Ik heb dat een keer aan een tv-journalist uitgelegd. Ik vroeg hem een reportage te maken die tegelijkertijd twee groepen zou aanspreken, de kenners en de leken. Hij zei dat zoiets niet kon wegens gebrek aan tijd. Wij moeten dat wel kunnen en we zijn al blij als we maar vier categorieën in onze klas hebben. Ik heb echt oog voor kansarme kinderen en heb de commissie in die richting willen trekken. Ik ben zelf de zoon van een arbeider die tot zijn veertien jaar naar school is geweest.”


In Scandinavische landen houdt men kinderen nochtans veel langer samen in één groep, met goede resultaten.

Philip Brinkman: “Je mag landen niet zomaar met elkaar vergelijken en denken dat de succesrecepten zomaar overal toepasbaar zijn. De spreidstand is daar niet zo groot. Als je naar Finland kijkt, dan zie je dat dat nog een agrarisch land is met relatief weinig migratie, vooral Russen en Irakezen, waardoor de verschillen en de complexiteit kleiner zijn.”


In Helsinki is er toch veel diversiteit. De kinderen hebben daar vanaf hun aankomst tot hun 18 jaar recht op lessen Fins, terwijl ze hier een of twee jaar OKAN krijgen en dan hun plan kunnen trekken. Hier ligt de nadruk toch veel meer op de individuele verantwoordelijkheid? Dat bedoelen wij met het onderwijssysteem.

Philip Brinckman: “Dat klopt. We haalden in ons rapport een aantal dingen aan, maar niet genoeg. We zegden bijvoorbeeld dat sommige BSO-leerlingen moeten omkaderd worden zoals OKAN-leerlingen en dat de klasgrootte moet afgestemd worden op deze leerlingen. De klasgrootte is in de commissie trouwens meer dan een keer ter sprake gekomen. Een klas met 26 kleuters is niet werkbaar. Of we alle heil mogen verwachten van een wijziging van het systeem betwijfel ik.”


Sinds dit schooljaar hebben we een nieuw systeem van functiebeschrijving en evaluatie, waarin de klemtoon ligt op begeleiding, coaching en persoonlijke ontwikkeling. Wat is dan de meerwaarde van wat uw commissie performantiemanagement noemt?

Philip Brinckman: “We willen hiermee klaarheid scheppen. De leerkracht moet duidelijk weten wat van hem verwacht wordt en wat hij van de overkant kan verwachten, zodat er een evenwicht ontstaat. Leerkrachten moeten veel beter omkaderd worden door directie, schoolbestuur, ouders… Bovendien wordt het beroep van leerkracht aantrekkelijker als het duidelijk is wat er verwacht wordt. De kern van het onderwijs – niet kennis, maar Bildung of vorming – is vaag geworden en dat schrikt sommige mensen af. In de lerarenopleiding zitten ze met de handen in het haar. Ze moeten tien basisinstellingen doorgeven aan hun studenten, dat is te veel voor een driejarige opleiding.”


In de adviezen over de lerarenopleiding pleit de commissie nergens voor een betere financiering van de opleidingen of voor een realistisch takenpakket voor de lerarenopleiding, terwijl dit toch een eis is van de mensen op de werkvloer. Acht de commissie het haalbaar om met de huidige lerarenopleiding haar adviezen te realiseren?

Philip Brinckman: “De lerarenopleiding speelt een sleutelrol en ze wordt heel snel met de vinger gewezen als het misloopt. In het rapport zeggen we dat de lerarenopleidingen terug moeten naar hun kernopdracht en dat ze te veel dingen aanreiken die zich in de periferie situeren. Zij moeten zich beperken tot de kern en de studenten een stevige basis aanbieden, de rest doen wij wel. Ik weet niet of er te weinig geld is voor de lerarenopleiding. Ik zie wel dat er veel geïnvesteerd wordt in public relations en mooie gebouwen, waardoor er elders moet bezuinigd worden. Ik begrijp dat een mooi gebouw aantrekkelijk is, maar uiteindelijk bespaart men dan op docenten. Ik hoor bijvoorbeeld van oudere docenten dat men hen vraagt met pensioen te gaan.”


Dat heb je natuurlijk als je middelen ‘ontkleurt’ en het schoolbestuur mag kiezen waaraan het geld besteed wordt.

Philip Brinckman: “Inderdaad. Ik ben daar ook een tegenstander van, ook in het secundair onderwijs. Men bedoelt het daarom niet slecht, maar mensen zijn zwak. De overheid moet bepalen wat de kerntaak van onderwijs is en het geld daarvoor bestemmen. Om terug te komen op de lerarenopleiding: er lopen nog dingen mis. De rubriek ‘omgaan met ouders’ weegt even zwaar als didactiek. Dat kan niet, didactiek is veel belangrijker. Soms loopt het serieus fout. We hadden ooit een stagebezoek voor een les Engels en na de les vroeg de docent aan de leerkracht of de stagiair goed Engels praatte. Blijkbaar was ze zelf geen docent Engels.”

 

Hiermee sluiten wij onze reeks artikelen over het rapport van de Commissie Beter Onderwijs af. Je kan deze artikels online (her)lezen, de snelkoppeling naar de Tribunes staat op onze website (www.acodonderwijs.be). Je vindt daar ook de snelkoppeling naar het rapport van de Commissie Beter Onderwijs.

 

 


Documenten
1920x620-Onderwijs.jpg