Regering holt arbeidsrecht uit via de kunstensector

 


Deze regering wilde het kunstenaarsstatuut hervormen. Dat stond zo in het regeerakkoord. N-VA zette in op afbraak om op die manier het kunstenveld meer in haar greep te krijgen. Open Vld deed niets, want armoede is een hefboom om kunstenaars de markt op te jagen. CD&V verdedigde het statuut, weliswaar om het als een hefboom te gebruiken om toe te werken naar een derde statuut als ‘autonome medewerker’. Eindbalans? Een status-quo inzake beleid en méér precariteit voor de cultuurwerkers. Nochtans had een eenvoudige ingreep in de wetgeving dat kunnen verhelpen.


Maandag 1 april kwamen de federale en regionale ministers van ons land samen om de balans op te maken van… 5 jaar stilstand. Helaas is dit geen aprilgrap. De oorzaak? De regeringspartijen hadden tegenstrijdige intenties en het plan om daadwerkelijk de sociale rechten van de cultuurwerkers te verbeteren, zat er helaas niet bij.


Status-quo


In het regeerakkoord van 2014 stond nochtans het voornemen om het kunstenaarsstatuut “te evalueren, aan te passen en te optimaliseren om misbruik te vermijden en werkgelegenheidsvallen te verminderen.” Die evaluatie kwam er: er zijn hoorzittingen geweest en er werd aan de Nationale Arbeidsraad (NAR) een rapport gevraagd. Vijf jaar later is er wel de opstart van een digitaal platform Artist@Work voorzien, zodat cultuurwerkers die een kunstenaarskaart willen aanvragen (om te kunnen werken met een kleine vergoedingsregeling of KVR) of een kunstenaarsvisum (om te kunnen werken via art1bis) dat vanaf nu ook digitaal kunnen doen.


Modernisering?


Afgaande op de uitspraken van parlementsleden van N-VA, stuurde die partij (al dan niet indirect) aan op een afbouw van het kunstenaarsstatuut (dat recht geeft op voordeelregels in de werkloosheid). Dat past in een ruimere strategie om greep te krijgen op het kunstenveld, bijvoorbeeld via intimidatie van culturele organisaties zoals Globe Aroma of via het investeren in fusies en het inzetten op de grote instellingen, zodat je top-down aan de koordjes kan trekken.

Maar N-VA kreeg CD&V niet mee. De spanning tussen de beleidspartijen kwam aan de oppervlakte tijdens een hoorzitting in het federale parlement toen Raoul Hedebouw (PVDA) minister Kris Peeters op de man af vroeg hoe het nu zit met zijn plannen over de hervorming van het kunstenaarsstatuut. Peeters antwoordde eerst ontwijkend, maar toen N-VA later in de discussie aangaf dat ze niet voor een afschaffing, maar slechts voor een ‘modernisering’ van het statuut is, volgde een veelzeggende reactie van minister Peeters: “Ik ben erover verheugd dat niemand er meer voor pleit om het statuut af te schaffen. Ik had immers begrepen dat sommigen, ook in de meerderheid, een hervorming zien als een afschaffing van het statuut, maar dat heb ik dan verkeerd begrepen. Die verduidelijking is dus zeer verhelderend. Ik ben er alleszins geen voorstander van om het statuut af te schaffen via een hervorming. Daarom probeer ik het statuut met heel veel voorzichtigheid op een goede manier toe te passen.”

 

Nieuw: de autonome medewerker


Maar minister Peeters had andere plannen. In augustus 2018 deelde hij aan de sociale partners mee dat hij voor de specifieke manier van werken van de kunstenaars een oplossing zag in de piste van de ‘autonome medewerker’ en dat ze daarvoor projecten konden indienen. Het zou, aldus de minister, niet om een nieuw derde statuut gaan, naast zelfstandige en werknemer, maar om een nieuw soort contract waarin je in ruil voor loon in een onderling akkoord een aantal doelstellingen en resultaten vastlegt waarbij je als werknemer zelf kan bepalen hoe, wanneer en van waaruit je die opdracht vervult.

Hoe aanlokkelijk dit eventueel ook kan klinken om enige flexibiliteit te verkrijgen voor arbeidscontracten met kunstenaars waarbij het niet evident is om met een vast uurrooster te werken, er schuilt natuurlijk een groot risico in het loskoppelen van verloning en gepresteerde uren. Die link is het fundament waarop de arbeidswetgeving als een huis is opgetrokken. Wie zich op voorhand verbindt tot bepaalde resultaten, moet bijgevolg zelf maar kunnen inschatten hoeveel uren je hiervoor moet voorzien. Barema’s, arbeidstijd, minimumlonen enzovoort, het komt daarmee allemaal op losse schroeven te staan. Om concurrentieel te blijven, moet je het vervolgens maar niet te nauw nemen met overuren, avond- of weekendwerk. Want ja, je hebt nu eenmaal toch voor een atypisch beroep gekozen?

Eens zo’n statuut van autonome werknemer bestaat, zo zal Peeters wellicht gedacht hebben, kan het uitgerold worden naar andere beroepen. Want ook aan andere sectoren had hij het voorstel gedaan om hieromtrent projecten in te dienen.

Die projecten zijn er vanuit de kunstensector alvast niet gekomen. De kunstenaar doet immers al genoeg dienst als prototype voor de neoliberale werkkracht: steeds beschikbaar zijn, er enthousiast en creatief tegenaan gaan, eventueel gratis als het moet als blijkt dat de honoraria alweer het sluitstuk van de begroting van een opdracht zijn.


Neoliberaal laboratorium


Het spijtige is natuurlijk wel dat de wetswijzigingen die nodig waren om tot een beter kunstenaarsstatuut te komen, achterwege bleven. Nochtans hadden enkele eenvoudige ingrepen, bijvoorbeeld via een ministerieel besluit, een aantal problemen kunnen wegwerken die de economische kant van het beroep zowel voor de RVA, de kunstenaars als de organisaties zoveel beter en eenvoudiger hadden kunnen maken.

Dat het ‘evalueren, aanpassen en optimaliseren’ van het kunstenaarsstatuut nodig is, dat is de vorige jaren alleen maar duidelijker geworden. Hopelijk pakt een volgende regering dit aan, zonder er allerlei eigen agenda’s aan te koppelen en het kunstenaarsstatuut opnieuw als een laboratorium te willen gebruiken om de grenzen van de arbeidswetgeving te verleggen. Kunst en cultuur worden op zich al voldoende geïnstrumentaliseerd voor winst en markteconomie.


Wat met de precariteit?


Op 3 april bracht de Commissie Kunstenaars haar jaarverslag uit, waarin ze benadrukt in wat voor een precaire situatie veel kunstenaars vandaag zitten. Kunstenpunt, het steunpunt van de kunsten, hield op 26 maart een studiedag ‘Do It Together (D.I.T.)’ over initiatieven waarbij kunstenaars alvast onderling creatief kunnen proberen hun sociale situatie te verbeteren. Ze brachten daarbij een nieuw boekje uit, ‘Kunstenpocket#3’, waarin ze inzake precariteit weinig aan de verbeelding overlaten: “Er is iets grondig mis wanneer professionele sectoren zo functioneren, dat net hun kernspelers er niet in slagen om van hun praktijk te leven. Wanneer artistiek succesvolle artiesten aan het einde van de maand nog onder de rode lijn van de armoedegrens vallen, is dat een belangrijk signaal dat het hele systeem van werken, samenwerken, verlonen en sociale bescherming aan herziening toe is.”


Robrecht Vanderbeeken

 

Dit artikel verscheen in Tribune 75.05