Stijging salarissen directeurs: wat voelen gepensioneerde directeurs daarvan?

 


De rust- en overlevingspensioenen volgen de evolutie van de bezoldigingen van de actieve ambtenaren. Het aanpassen van het pensioenbedrag aan de evolutie noemen we ‘perequatie’. Oorspronkelijk was dat een eenvoudig gegeven: steeg het salaris van de onderwijzers (barema 148), dan steeg ook het pensioen van gepensioneerde onderwijzers.


Sinds een vijftiental jaar is het systeem grondig gewijzigd en werkt men met 16 ‘perequatiekorven’: één ervan is de korf voor het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. Alle pensioenen van de korf worden telkens na een referteperiode van twee jaar automatisch verhoogd met een percentage.

Het percentage wordt per korf vastgesteld op basis van de verhogingen van de maximale salarisschalen, bepaalde salarisbijslagen, het vakantiegeld en de eindejaarspremie die verbonden zijn met de meest representatieve rustpensioenen die ingegaan zijn binnen de vier jaar voorafgaand aan de referteperiode.

Als we naar het principe hiervan kijken, dan kunnen we enkele besluiten trekken:

  • ieder onderwijspersoneelslid op pensioen wordt gevat bij een stijging van de percentage van de korf
  • een verhoging is pas significant en snel merkbaar als een grote groep onderwijspersoneelsleden een verhoging van de maximumsalarisschaal kent
  • de groep directeurs is niet die grote groep waardoor een miniem effect plaatsgrijpt.

 

De invoering van een salarisschaal op 36 jaar anciënniteit zal een veel groter effect hebben op de perequatie van de pensioenen, dan deze salarisverhoging voor directeurs.


jeanluc.barbery@acod.be

 

 


Documenten
1920x620-Onderwijs.jpg