Wachtdiensten
Een sociale tijdbom?
In de diensten en instellingen van de Vlaamse overheid zijn er heel wat personeelsleden die wachtdiensten verrichten. Meestal gaat het om diensten en instellingen met een sociaal, technisch of economisch karakter. Regelmatig is er discussie over deze wachtdiensten en de arbeidsduur.
De wettelijke bepalingen
De organisatie van de arbeidstijd in de publieke sector werd geregeld door een wet van 14 december 2000. Dit zijn enkele belangrijke principes rond arbeids- en rusttijden die worden opgesomd in deze wet:
- rusttijden
In elk tijdvak van 24 uur heeft de werknemer recht op ten minste 11 opeenvolgende uren rust tussen de beëindiging en de hervatting van de arbeidstijd.
- arbeidstijdregeling Vlaamse overheid
In het kader van de standaardwerktijd begint de glijtijd ten vroegste om 7.30 uur en eindigt ten laatste om 19 uur. Bijgevolg is er ten minste een rustperiode van 12.30 uur en dus méér dan 11 uur.
- dagelijkse rusttijd
Bij een arbeidstijd van méér dan 6 uur per dag wordt een half uur rust toegekend.
- zondagarbeid
De wet stelt als principe een verbod op zondagarbeid, maar voorziet tegelijkertijd 23 afwijkmogelijkheden. Indien er een afwijking wordt toegestaan, moet een gelijkwaardige periode van inhaalrust worden toegekend in de loop van de 4 volgende maanden.
- gemiddelde wekelijkse arbeidsduur
De gemiddelde wekelijkse arbeidsduur mag niet meer bedragen dan 38 uren per week over een referentieperiode van 4 maanden. Deze referentieperiode kan, mits overleg met de vakbonden, worden verlengd tot maximum 12 maanden. Voor deze uitbreiding moeten er dan wel objectieve of technische redenen zijn.
De wekelijkse gemiddelde arbeidsduur mag nooit meer dan 48 uur bedragen inclusief overuren, en mits inhaalrust wordt toegekend binnen de 4 maanden.
De wekelijkse arbeidsduur mag niet meer dan 50 uur per week bedragen, behoudens in de volgende gevallen: dringende werken aan machines of materieel, om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval of in opvoedings- en opvangtehuizen.
Slapende waak en thuiswacht
In de wet van 14 december 2000 wordt over wachtdiensten niets gezegd. Nochtans is de discussie over wachtdiensten en arbeidsduur niet nieuw. Aangezien de wetgever hierover geen duidelijkheid verschaft, moeten wij ons baseren op de rechtspraak.
Bij slapende waak verricht de werknemer een wachtdienst in de gebouwen van de werkgever. Hij kan dus in principe slapen wanneer er geen problemen zijn, maar kan wel op elk moment worden opgeroepen om effectieve prestaties te leveren. De definitie van het begrip arbeidsduur is duidelijk: "de tijd gedurende dewelke het personeel ter beschikking is van de werkgever". Slapende waak moet dus gezien worden als arbeidsduur.
Bij thuiswacht is de werknemer in principe thuis of op een bereikbare plaats, waar hij steeds kan worden opgeroepen. De werknemer kan dus steeds een oproep van de werkgever verwachten. In het arrest Jaeger van het Europees Hof van Justitie van 9 september 2003 wordt gesteld dat wachtdiensten als arbeidstijd worden beschouwd. Ook het Belgische Hof van Cassatie stelde in een arrest van 30 januari 1984 dat wachtdiensten arbeidstijd zijn.
Inactief: geen arbeidstijd?
In de departementen en agentschappen van de Vlaamse Overheid mag er dan al een financiële regeling zijn uitgewerkt met de permanentietoelage, over het valideren van de wachtdiensten als arbeidsprestaties wordt met geen woord gerept.
Ondertussen vernamen we dat de Europese Commissie werk maakt van een ontwerp van richtlijn waarbij, in tegenstelling tot het arrest van het Europees Hof van Justitie, een nieuw begrip wordt ingevoerd: de inactieve periode van de wachttijd. Dit zou dan de periode zijn dat de werknemer van wacht is, maar niet opgeroepen wordt om zijn functie uit te oefenen. Deze inactieve periode zou dan niet als arbeidstijd worden beschouwd.
Het al dan niet hanteren van dit nieuw begrip zal alleszins een boeiende discussie opleveren...