De Centenindex is een platte belastingverhoging

 


Na de stemming van de programmawet (verzameling van verschillende maatregelen, waaronder deze met betrekking tot de index) door het federaal parlement op 28 mei 2026, werd deze gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 1 juni 2026 en werd deze van kracht vanaf dezelfde datum in de publieke sector én de privésector. Hierdoor zullen werknemers en uitkeringsgerechtigden koopkrachtverlies lijden dat niet kan gerecupereerd worden zolang men recht heeft op loon als werknemer of op een uitkering.


Een indexeringsmechanisme zorgt er normaal gezien voor dat koopkrachtverlies door inflatie geleidelijk ingehaald wordt, op zich is een indexering dus geen zuivere koopkrachtstijging. Maar door deze overheidsingreep zullen heel veel betrokkenen over een langere periode heel veel geld niet toegekend krijgen, waardoor de gebruikelijke inflatie (gedeeltelijk) niet ingehaald wordt door een normale indexering.

Werknemers- en werkgeversvertegenwoordigers op nationaal interprofessioneel vlak stelden aan de regering een alternatief voor, waarbij energieprijzen op een andere manier in rekening zouden gebracht worden binnen de normale indexeringsmechanismen. Dit werd verworpen door de federale regering, bovendien werd in dit voorstel helemaal geen rekening gehouden met de openbare diensten en uitkeringen, aangezien dit voorstel enkel voor werknemers in privébedrijven zou gelden.

De ACOD sprak zich dan ook volledig terecht krachtig uit tegen deze regeringsmaatregel én tegen het alternatief voorstel zoals het geformuleerd werd. Niet alle lonen in België worden geïndexeerd (hoewel velen dat denken), dit gebeurt op basis van collectieve arbeidsovereenkomsten. Ook in de sector Gas en Elektriciteit (Paritair Comité 326) worden alle barema’s én lonen geïndexeerd, dit op een maandelijkse basis. Dus ook in deze sector zal de toepassing van de centenindex duidelijk voelbaar zijn vanaf juni 2026 én een tweede maal vanaf januari 2028.

Hoe wordt de centenindex toegepast binnen een systeem van maandelijkse indexeringen, zoals binnen onze sector van Gas en Elektriciteit? Dit zal gebeuren op lonen en barema’s , uitgedrukt op voltijdse basis, boven 4000 euro bruto. Onder dit plafond wordt normaal verder geïndexeerd. Als referteloon hiervoor wordt het vast maandelijks geïndexeerd basismaandloon gebruikt op het moment waarop het indexeringsmechanisme toegepast wordt (dit laatste is belangrijk bij een plots overschrijden van het plafond), dit is zonder mogelijke extra’s zoals overlonen, maaltijdcheques, prestatiebonussen, eindejaarpremies, ecocheques, winstpremies, toeslagen voor wachtprestaties en prestaties in ploegendiensten, enz. Voor deeltijdse collega’s wordt dit referteloon evenredig aangepast aan de hand van een tewerkstellingsbreuk ten opzichte van een voltijdse basis.<

Het plafondbedrag van 4000 euro bruto wordt niet geïndexeerd, noch in 2026 noch in 2028. Binnen een systeem van maandelijkse indexering zal minutieus moeten bijgehouden worden op maandbasis met hoeveel een normale verhoging van indexering zou toegepast worden (bijvoorbeeld 0,35 %) en dit tot de optelsom van deze verhogingen 2 % bereikt. Wanneer dit bereikt wordt, zal in deze betrokken maand het referteloon boven het plafond enkel aan het restsaldo % (bijvoorbeeld de optelsom tot 2 % wordt in november 2026 overschreden tot in totaal 2,25 %, dus 0,25 % boven 2 %) geïndexeerd worden. Nadien zal de indexering terug op een normale manier verlopen, dus aan de werkelijke index op het volledig loon. Wanneer iemand in dienst treedt na de start van dit slechte indexeringsmechanisme, dan wordt geacht dat deze nieuwe collega de matiging reeds ondergaan heeft vanaf de aanvang van de matigingsperiode.

Aangezien werkgevers noch sociaal secretariaten voorbereid waren om dit ingewikkelde systeem direct toe te passen, kan een overgangsmaatregel toegepast worden tot wanneer dit operationeel volledig toepasbaar zal zijn.

Voor de statutaire ambtenaren in onze sector, die tewerkgesteld worden binnen OV Fluvius, zal het effect van de centenindex zichtbaar worden bij de eerstvolgende overschrijding van de spilindex in 2026 ( waarschijnlijk zeer binnenkort ) en nogmaals bij de eerste overschrijding hiervan in 2028. Wanneer dit gebeurt, dan zal de normale verhoging van 2 % indexering volledig niet toegekend worden voor lonen boven 4000,00 euro bruto. Ook voor hen gelden alle andere maatregelen in verband hiermee zoals voor de werknemers van privébedrijven. Algemeen worden sociale uitkeringen en pensioenen boven 2000,00 euro bruto op eenzelfde manier behandeld.

De helft van de opbrengst van deze loonmatigingsmaatregelen van de federale overheid moet via een bijzondere loonmatigingsbijdrage gestort worden aan de RSZ. Ook ACOD Gazelco is natuurlijk voorstander van een gezonde financiering van de RSZ en andere overheidsfinanciën, maar in dit geval gaat het eigenlijk niet om een matiging van eventuele loonstijgingen ten opzichte van ons omringende landen ( waarvoor ook de loonnormwet in het leven geroepen is door de federale overheid ) om zogezegd bedrijven te ondersteunen, maar wel om een platte belastingverhoging op alweer de kap van werknemers en uitkeringsgerechtigden ! Iets dat niet enkel ACOD Gazelco onaanvaardbaar blijft vinden, want ‘de enige EX die je levenslang koestert is de INDEX’ !

 

Jan Van Wijngaerden