Regels zichtbaarheid aangescherpt: wat mag militair nog tonen?
Wie door sociale media scrollt, ziet mensen hun werk, hobby’s en dagelijks leven delen met vrienden, familie of een breder publiek. Ook militairen doen dat. Toch gelden voor hen bijzondere regels. Defensie werkte recent nieuwe richtlijnen uit over wat militairen en medewerkers wel en niet mogen tonen, zowel online als in het openbaar. De maatregelen moeten de veiligheid van het personeel versterken, maar roepen tegelijkertijd vragen op over de individuele vrijheid van het militair personeel.
Een foto posten in uniform, een trainingssessie delen via een sportapp of trots vertellen over een gespecialiseerde functie: voor veel werknemers lijkt dat vanzelfsprekend. Voor militairen wordt dat voortaan een stuk moeilijker. Volgens de nieuwe richtlijnen mogen militairen via hun persoonlijke sociale media geen foto's of informatie verspreiden over militaire operaties, operationele opdrachten, militaire voertuigen of materieel. Ook informatie over specifieke functies, specialisaties en opleidingen wordt als gevoelig beschouwd.
Let op met sociale media
Zelfs professionele netwerken zoals LinkedIn ontsnappen niet aan de nieuwe regels. Waar werknemers vaak hun loopbaan en opleidingen in detail beschrijven, vraagt Defensie aan zijn personeel om zich online veel discreter op te stellen. In plaats van een uitgebreide functiebeschrijving volstaat voortaan een algemene vermelding dat men werkzaam is bij het Ministerie van Defensie.
Ook populaire sport- en trainingsapps zoals Strava verdienen extra aandacht volgens Defensie. Locatiegegevens en trainingsroutes kunnen immers ongewild gevoelige informatie prijsgeven. Daarom wordt sterk aanbevolen profielen af te schermen en activiteiten niet publiek zichtbaar te maken.
Uniform in het openbaar
De richtlijnen blijven niet beperk tot de digitale wereld. Ook op straat gelden voortaan strengere afspraken. Militairen mogen nog steeds in uniform verschijnen buiten de kazerne, maar enkel wanneer het uniform correct wordt gedragen. Het combineren van uniformstukken met burgerkledij is niet toegelaten.
Daarnaast moeten naamlinten verwijderd worden wanneer militairen zich in uniform in de publieke ruimte begeven. Ook kentekens, badges of insignes die wijzen op een specifieke functie, eenheid of specialisatie mogen niet zichtbaar zijn. Het doel is duidelijk: voorkomen dat militairen gemakkelijk geïdentificeerd of gelinkt kunnen worden aan bepaalde opdrachten.
Bij openbare plechtigheden wordt bovendien in bijkomende maatregelen voorzien om de herkenbaarheid van individuele militairen te beperken.
Veiligheid belangrijkste argument
De aanleiding voor deze richtlijnen ligt in een veranderende veiligheidscontext. Sociale media maken het vandaag eenvoudiger dan ooit om persoonlijke informatie te verzamelen. Wat voor de ene een onschuldige foto lijkt, kan voor anderen waardevolle informatie opleveren over personeel, locaties, capaciteiten of activiteiten van Defensie.
Volgens Defensie moeten de nieuwe regels daarom bijdragen tot de bescherming van militairen, hun collega's en hun gezinnen.
Minder zichtbaar, steeds vaker aanwezig?
Betekent dit dat militairen uit het straatbeeld of van sociale media verdwijnen? Helemaal niet. Defensie beklemtoont dat militairen ambassadeurs van de organisatie blijven, maar dat hun zichtbaarheid steeds meer via officiële communicatiekanalen en professionele PR-diensten moet verlopen. Het individu moet minder zichtbaar worden, terwijl de instelling net meer in beeld wordt gebracht.
Dat roept echter een opmerkelijke tegenstelling op. Terwijl individuele militairen steeds meer worden gevraagd om zich discreet op te stellen, lijkt de politieke keuze net te zijn om Defensie zichtbaarder te maken in het publieke domein. Waar militairen vroeger vooral zichtbaar waren tijdens oefeningen, rampenbestrijding of uitzonderlijke steunopdrachten, zien we vandaag een tendens waarbij Defensie steeds vaker wordt beschouwd als een reserve die kan worden ingezet wanneer andere openbare diensten onder druk staan.
Voor ACOD roept dit fundamentele vragen op. Is het de taak van Defensie om tekorten in andere openbare diensten op te vangen? Moeten problemen veroorzaakt door jarenlange besparingen en personeelstekorten worden opgelost door militairen in te zetten? Of zou de overheid beter investeren in voldoende personeel en middelen voor alle openbare diensten?
Wanneer militairen steeds vaker worden ingezet voor opdrachten die traditioneel tot het domein van andere overheidsdiensten behoren, vervaagt bovendien de grens tussen militaire en civiele taken. Die evolutie verdient een breed maatschappelijk debat. Niet omdat we twijfelen aan de inzet van militairen, maar omdat in een democratische samenleving duidelijk moet blijven welke rol Defensie speelt en welke verantwoordelijkheden bij andere openbare diensten horen.
Een sterke openbare sector bouw je niet door de ene dienst de tekorten van de andere te laten opvangen, maar door elke dienst de middelen te geven om zijn kerntaken degelijk uit te voeren.
Natasja Gaytant